Geschiedenis

Oorsprong van Tuinhier

De roots van Tuinhier zijn terug te vinden in de aanleg van volkstuinparken.

Volkstuintjes zijn lapjes grond, doorgaans aan de rand van de stad, ze worden ter beschikking gesteld van mensen zonder eigen tuin. De eerste en voornaamste bedoeling van volkstuintjes was dat de volkstuinder zichzelf van goedkope, gezonde voeding kon voorzien.

Aanvankelijk werden er vooral aardappelen en grove groenten, zoals kolen, gekweekt. Met behulp van keukenzout en steriliseerbokalen bewaarde men een deel van de opbrengst tot de wintermaanden.

In 1896 werd naar Frans voorbeeld de Ligue du Coin de Terre et du Foyer gesticht, in Vlaanderen bekend als het Werk van den Akker en den Haard. Het Werk van den Akker en den Haard was de koepelorganisatie achter de meeste volkstuinen in België. Haar eerste - relatief kleine - tuincomplex bevond zich in de Brusselse gemeente Sint-Joost-ten-Node. Het concept kende succes. Het ging om niet meer dan een veertigtal tuinen die aan elkaar grensden. Het initiatief kende snel navolging in andere steden. Naast Namen, Gent en Antwerpen hadden ook kleinere steden als Gistel, Dendermonde en Sint-Niklaas al in 1907 een lokale afdeling van het Werk van den Akker.

In België kwamen de meeste volkstuintjes voort uit lokale privé-initiatieven. De hogere overheid richtte zelf nooit volkstuintjes in. Toch speelden prominente katholieken een rol in de beweging. August Beernaert, gewezen eerste minister, werd in 1896 de eerste voorzitter van de Ligue du Coin de Terre et du Foyer.

De volkstuinen bevonden zich doorgaans nabij grote fabrieken.

Volkstuinen werden gezien als een middel om arbeiders uit de verderfelijke invloeden van het stadsleven te houden: alcoholisme, moreel verval, intra-familiaal geweld,… In de stad verloor de oorspronkelijke plattelandsbewoner voeling met traditionele waarden. Het gevaar van alcoholmisbruik loerde om de hoek. Een tuintje vormde in dat opzicht een preventief antigif.

Ook betekende zo'n tuintje voor de fabrieksarbeiders een zekere mate van economische onafhankelijkheid. De oogst was een welkome en vaak noodzakelijke aanvulling op het gezinsinkomen.

Het ledenaantal van de Ligue du Coin de Terre et du Foyer piekte tijdens de wereldoorlogen: 180.000 in 1918 en niet minder dan 400.000 in 1943. De oorzaak van deze enorme stijging was te wijten aan het feit dat de vereniging werd ingeschakeld voor de voedselrantsoenering. Vanaf de jaren 1920 waren ook leden met een eigen tuin welkom.

In 1930 werd onder stimulans van Jules Callens het maandblad ‘De volkstuin’ voor het eerst gepubliceerd. Dit maandblad was gericht naar de individuele tuinder en stond vol adviezen over het telen van groenten. Vandaag bestaat dit blad nog steeds onder de nieuwe naam 'Tuinhier magazine'.

In 1980 werd de organisatie gesplitst in een Nederlandstalige en een Franstalige tak. De eerste veranderde van naam en ging tot en met 2014 door het leven als 'De Vlaamse Volkstuin'. Vanaf 2014 veranderde de naam officieel naar 'Tuinhier'. 

Sinds 1926 is er zelfs een internationaal bureau, met zetel in Luxemburg en vandaag de dag zetelen hierin vertegenwoordigers uit vijftien Europese landen. Meer informatie hierover vind je terug op http://jardins-familiaux.org/

Meer informatie over de geschiedenis van de vzw kun je terugvinden in de publicatie 'Volkstuinen een geschiedenis, Y. Segers en L. Van Molle (2007); Davidsfonds Leuven. 

ga terug naar overzicht